Middels de nieuwe release van Elton John (63) met de titel The Union, heeft de veelzijdige componist gemeend een oude vriend op sleeptouw te moeten nemen. Het album wordt gepresenteerd als een samenwerking met de Amerikaanse vergeten muzikant Leon Russel (69). Russel begon zijn carriëre sterk als singer/songwriter en was compositorisch belangrijk lid van de band van Joe Cocker. Na deze gezegende tijd kelderde de populariteit van Russel in sterk contrast met de dan juist tot enorme hoogten reizende ster van John. Na 30 jaar eigenlijk niet meer naar elkaar te hebben omgekeken vond het John het tijd worden dat zijn verloren vriend weer herontdekt moest worden. Het uiteindelijke resultaat is eigenlijk gewoon een John/Taupin (Elton’s vaste tekstschrijver) album, met een aantal songs van Russel. Om deze onbalans toch wat gelijk te trekken doet Russel met zang en piano in elk nummer mee. Ik heb Russel nooit gekend maar als ik zijn knauwerige en vibrerende kraakstem hoor weet ik meteen waarom hij
mij nooit is opgevallen. Nou moet ik toegeven dat de songs van Russel niet verkeerd zijn en dat je zelfs aan zijn eigenlijk vrij lelijke stem enigszins kan wennen. In ieder geval blaken de maar liefst 16 nummers op deze cd van frisheid en compositorisch spelplezier. John doet wat hij sinds Songs From The West Coast (2001) doet, namelijk prachtige nummers schrijven op hetzelfde hoge niveau dat hij in de jaren 70 bereikte, alleen zonder drang naar een hitsingle en met minder uptempo werk. John waagt zich op deze cd echter, zij het voorzichtig, aan 2 rockertjes; Hey Ahab en Monkey Suit. Vooral in deze nummers valt op dat John’s vocalen wat aan kracht hebben moeten inleveren de laatste jaren, maar nog altijd in uitstekende conditie verkeerd. In compositorische zin is het een evenwichtig album met niet al te veel pieken en dalen. De cd ademt de sfeer van de seventies uit en heeft soul, amerikana en blues in zich. De productie was in handen van de alom geprezen T Bone Burnett, maar had veel mooier kunnen zijn. Om onbegrijpelijke redenen zet Burnett de drums en bas op de voorgrond en de mid-tonen zitten heel veel weg. Ook de piano’s klinken wat op de achtergrond, terwijl die nou juist op de voorgrond hadden gemoeten. Hierdoor komen prachtige instrumentale stukken als het einde van Hey Ahab met 2
door elkaar heen solerende piano’s nogal stroefjes en stroperig over. Het is alsof de sfeer bewust bedompt en stoffig gemaakt is, waarschijnlijk om de cd een extra authentieke charme te geven. Opvallend is het ook dat Elton’s vaste drummer Nigel Ollson node gemist wordt, daar drummer Jim Keltner op één of andere manier minder gevoel weet te leggen in de ballads. Aan de andere kant is het mede door voornoemde zaken wel een album wat zich onderscheid van eerder werk van John en is het in dat opzicht zeker geslaagd.
Monkey Suit (live) en het wonderschone When Love Is Dying (live, solo)
